Historisch overzicht

Vroegste ontstaansgeschiedenis
De noordelijke oever van de Neder-Rijn heeft, concluderend uit archeologische vondsten in de omgeving van het plangebied al vanaf de Ijzertijd mensen aangetrokken. Op de hoge zandruggen naast de rivier was voldoende bescherming tegen water en er was goede akkerbouwgrond aanwezig. Of er destijds ook al sprake was van permanente bewoning is onduidelijk. Archeologisch onderzoek uit 1998 en 1999 in het plangebied zelf, heeft geen uitsluitsel kunnen geven of er hier sprake is van een nederzettingsterrein uit de IJzertijd. Door de hoeveelheid en grootte van de aangetroffen scherven prehistorisch aardewerk, kan niet uitgesloten worden dat er zich een nederzetting en/of grafveld in de nabijheid van het plangebied heeft bevonden.

Groeiende nederzetting tussen rivier en beek (middeleeuwen tot 1700)
Vanaf de middeleeuwen is er meer duidelijkheid omtrent bewoning. Langzaam ontwikkelde de streek zich verder. In de 13e eeuw bestond er al een voetveer over de Neder-Rijn en groeide het aantal kleine boerenhoeven langs beide zijden van de rivier. In een oorkonde van 9 augustus 1281 is er sprake van drie hoeven in Lopen, welke zich aan beide kanten van de Rijn uitstrekten. En om de veiligheid van het achterland in tijden van hoogwaler beter te kunnen waarborgen, was er in 1359 reeds een dijk aanwezig.

Het huidige piangebied lag in de buurtschap Lopen, een zogenaamd landrechtelijk vrije mark. Sinds de 16 eeuw draagt de buurtschap de naam Clingelbeeck (tegenwoordig Klingelbeek). De Duitse betekenis van het woord Kling is heuvel. Hiermee wordt overduidelijk verwezen naar het glooiende karakter van het gebied. In het jaar 1359 werden de bosgronden aan de Klingelbeek verdeeld onder geërfden of eigenaars van onroerend goed en rechthebbers van een deel van het areaal. Deze geërfden bezaten akkers op de Klingelbeekse (of Lopener) enk, die liep van de Utrechtseweg tot aan de Amsterdamseweg. Ten noorden daarvan lagen de gemeenschappelijke weiden, bossen en heidevelden. Door het (voet- en karren-) verkeer van de nederzetting richting de akkers op de enk en de verdergelegen heidevelden (schapen weiden) ontstond een buurweg, die men zelf 'die Fehrweg’ noemde. De ligging van de huidige Diependalstraat markeert nu nog het traject van deze voormalige weg. Voor wagens en karren vormde de weg, die eerst daalde en vervolgens weer sterk steeg een flinke klim. Omstreeks 1700 heeft men vergeefs getracht de weg te verbeteren door ophoging en een duiker.

Door de buurtschap slingerde een beek, die ontsproot op het noordelijker gelegen Mariëndaal waarna hij uitmondde in de Rijn. Ter hoogte van het plangebied wordt deze nog de Siijp- of Sliepbeek genoemd. In de middeleeuwen ontstond rondom deze beek een klein woongebied met een paar boeren en een enkele molenaar van een watermolen. Op de kaart van Jacob van Deventer daterend uit midden 16e eeuw, wordt deze nederzetting reeds aangeduid nabij het landgoed Hulkesteyn.

De beek heeft in het verleden een belangrijke rol gespeeld als waterleverancier en krachtbron voor de industrieën, die zich in het gebied hebben ontwikkeld. Destijds stonden diverse olie-, papier-, vol- en slijpmolens langs de beek. Een belangrijke korenmolen was ‘De Hes', gelegen aan de Klingelbeekseweg.

In de 'buurtschap Clingelbeeck' werden in de loop der tijd een aantal buitenplaatsen en landgoederen gesticht, waaronder Klingelbeek, Rustplaats, Rosande, Mariëndaal, Hulkenstein, De Brink en later ook Hoogstede. De eerst- en laatstgenoemde uit dit rijtje liggen in de meest nabije omgeving van het plangebied en worden om deze reden in dit hoofdstuk uitgebreider behandeld. Het oorspronkelijk middeleeuwse kasteel Klingelbeek, vroeger de Loopende berg of Looberg geheten, heeft een reeks van eigenaren gekend. In 1390 werd het eerst genoemd als eigendom van Hertog Willem van Gulik. In 1472 was Johan van Gelre eigenaar geworden van het goed. Vervolgens wisselde het landgoed diverse keren van eigenaar, waarbij het achtereenvolgens in bezit kwam van diverse aanzienlijke en bekende families- Bentinck, Van der Lawijck, Stepraedt tot den Doldendaal en van Lynden.

De oudste kaart die gevonden kan worden van de omgeving van het plangebied, is de stadsplattegrond van Arnhem daterend uit het midden van de 16e eeuw en vervaardigd door Jacob van Deventer. (Afb. 1) Ondanks dat het plangebied grotendeels buiten deze plattegrond valt, kan hierover toch het een en ander opgemerkt worden.

  1. Kaart van Jacob van Deventer uit ca. 1560.
    (Herkomst: H.W.M. van Wijck, Atlas Gelderse Buitenplaatsen, De Veluwe, Provincie- en Streekkaarten, nr. XXXV)
Links op de kaart Huis Hulkesteyn, de kapel en de bebouwing van de buurtschap Klingelbeek. Ten noordwesten van huis Hulkesteyn (links op de kaart) staat een kerkje of kapel ingetekend. Dit gebouw staat ten oosten van de noordwaartse zwaai van de Klingelbeekseweg en ligt duidelijk niet aan de oprijlaan naar huis Klingelbeek. Hiermee wordt duidelijk dat de bewering dat er in het plangebied aan het ‘holle weggetje’ (hiermee verwijzend naar het overblijfsel van de oude oprijlaan van Klingelbeek), ter hoogte van het braamstruweel, een kapel heeft gestaan, onjuist is. Het bedoelde holle weggetje valt zelfs geheel bulten de kaart. Daarnaast heeft de bewuste kapel geen lang leven gekend. Hij was in 1548 reeds overgedaan aan het klooster Bethanie welke hel gebouw afbrak en de onderdelen gebruikte om het bestaande klooster te vergroten. Dit betekent dat de kaart van Jacob van Deventer reeds voor de afbraak van de kapel moet zijn gekarteerd. Vervolgens is de kaart pas in 1560 uitgegeven.

Verder valt nog af te lezen dat de Utrechtseweg, eerder geheten 'weg van Utrecht naar Arnhem', aangegeven wordt met een enkele stippellijn. Dat betekent dat de weg nog niet veel meer voorstelde dan een voetpad. Destijds werd een meer noordelijk gelegen, oude weg gebruikt als doorgaande route, afleidend uit het karrenspoor (dubbele stippellijn).

Ook kan uit de kaart van Jacob van Deventer opgemaakt worden dat de bebouwing hoofdzakelijk gesitueerd was aan de noordzijde van de Klingelbeekseweg, destijds nog de weg van Arnhem naar Oosterbeek.


  1. Fragment van de "Carte van de gelegentheijdt van 't Clooster Maryendael", Nicolaas van Geelkercken (landmeter van de Staten van gelderland), 1640.
    (Herkomst: H.W.M. van Wijck, Atlas Gelderse Buitenplaatsen, De Veluwe, Individuele kaarten van Buitenplaatsen, nr. 86)

Een uitzondering op de lintbebouwing langs de Klingelbeekseweg vormden de twee bouwsels aan het zandpad, dat de voorganger vormde van de Hoogstedelaan. Op de kaart van Nicolaas van Geelkercken uit 1640 is reeds een gebouw te herkennen op deze plaats. (Afb. 2)

De vroege bebouwing bestond uit diverse kleine huizen mef erf en enkele schuurtjes. De bijbehorende kavels werden gebruikt als (moes)tuin. Het terrein had hierdoor een glooiend en open karakter. Op de kaart van N. van Geelkercken is het tracé van de Utrechtseweg duidelijk te herkennen. Te zien is dat op deze plattegrond de oprijlaan van het landgoed Klingelbeek nog niet rechtstreeks aansloot op de Utrechtseweg. In 1640 ligt er min of meer alleen nog de zuidelijke helft van de uiteindelijke laan, de noordelijke helft moet nog aangelegd worden. Tot dat moment sloot de laan haaks vanaf de Klingelbeekseweg aan op het hiervoor genoemde zandpad (thans Hoogstedelaan).

Een bijzonder aandachtspunt in de geschiedenis van de buurtschap Kiingelbeek is de aanwezigheid van de Schutterij. Deze werd in de laatste jaren van de Opstand, ca. 1644, opgericht. De Schutterij zorgde voor een gezamenlijke bescherming van de eigendommen in de buurtschap. Bekend is dat omstreeks deze tijd wolven een plaag vormden op de Veluwe. Later werden de schutterijen meer gezelligheidsverenigingen. De winnaar van het schuttersfeest werd gekroond tot 'Coninck van de Clingelbeeck’. Na een periode van stilte is in 1990 de Schutterij weer in ere hersteld.

Buitenplaatsen en kleine tuinderijen (ca. 1700 tot 1900)
Na bovenstaande kaart uit 1640 volgt een hiaat in de kaarten van het gebied. De eerstvolgende kaart is bijna een eeuw jonger dan die van N. van Geelkercken, namelijk de kaart van G. Verbeek uit 1736. (Afb. 3)

  1. Fragment van de "Caerte van het vervolgh van het Wester Quartier van het Schependomp der Stad Arnhem" [...], G. Verbeek, 1736.
    (Herkomst: H.W.M. van Wijck, Atlas Gelderse Buitenplaatsen, De Veluwe, Individuele kaarten van Buitenplaatsen, nr. 88)

Bij een vergelijking tussen de kaart uit 1736 en de kaart uit 1640 valt op, dat de Utrechtseweg is rechtgetrokken met beplanting aan weerszijden. Vanaf nu is ook duidelijk te zien dat de oprijlaan van huis Klingelbeek aansluit op de Utrechtseweg. De laan wordt begeleid door laanbeplanting. Wat betreft de functies en indeling van het terrein waar nu het huidige plangebied ligt, is er in een eeuw tijd, nagenoeg geen verandering opgetreden. Het behoort nog steeds toe aan diverse eigenaren van de huizen aan de Klingelbeekseweg en wordt gebruikt als (moes)tuin.

Huis Klingelbeek komt rond het jaar 1760 in bezit van de familie Van Goldstein. Zij hebben in 1789 het middeleeuwse huis grotendeels afgebroken en herbouwd. Het landhuis kreeg een klassieke ingangspartij met een brede voorgevel en een opmerkelijke klokvormige gevel, afgesloten met een brede balustrade In de fraaie parktuin bevinden zich diverse bijgebouwen die waarschijnlijk de functie van koetshuis en oranjerie hebben gehad.

Ten zuiden van de buitenplaats is reeds het paadje (met of zonder watervoerende functie) te herkennen dat tegenwoordig nog steeds vanaf de Klingelbeekseweg naar de Neder-Rijn loopt. Dit pad is voor de bewoners van de buurt de enige directe verbinding met de rivier. Uitzondering hierop vormen de huizen aan de zuidzijde van de Klingelbeekseweg, van wie de tuinen zich uitstrekken tot aan de Neder-Rijn.


4.
Fragment van de "kaart van de Neder-Rijn met leckstroom, J Engelsman en F.w. Conrad, 1793. "
(Herkomst: H.W.M. van Wijck, Atlas Gelderse Buitenplaatsen, De Veluwe, Provincie- en Streekkaarten, nr. IV)



De Kaart van de Neder-Rijn met Leckstroom van J. Engelman en F W. Conrad uit 1793 geeft alleen een globaal beeld van het terrein en laat helaas weinig details zien.
Het zandpad tussen de Klingelbeekseweg en de Utrechtseweg is bijvoorbeeld niet ingetekend en ook de kavelverdeling van het terrein is weggelaten.

Daarom moet niet bij voorbaat aangenomen worden dat, ondanks dat het niet is aangegeven, er langs de oprijlaan van huis Klingelbeek ten tijde van het optekenen van de kaart geen laanbeplanting aanwezig was. Wel is duideiijk af te lezen dat de bebouwing nog steeds lijnvormig, geconcentreerd ligt evenwijdig aan de Klingelbeekseweg. Hier komt ook geen verandering in, in de daaropvolgende decennia, afleidend uit de Topografische Kaarten van M.J. de Man uit 1809 en van C. J. Dibbets uit 1821. (Afb. 3.5 en 6)

Op het punt van de oprijlaan van Klingelbeek lijkt de kaart van De Man onnauwkeurig. Op alle voorgaande kaarten en latere kaarten ligt deze laan haaks op de Klingelbeekseweg en komt onder een schuine hoek uit op de Utrechtseweg. Deze kaart is de enige waarbij de oprijlaan haaks aansluit op de Utrechtseweg en schuin de Klingelbeekseweg kruist. Het is niet aannemelijk dat de laan voor een korte periode verlegd is. Wel maakt de kaart van De Man duidelijk dat er inmiddels een tweede bouwsel aanwezig is langs het zandpad, dat tussen de moestuinen door slingert.

6. Fragment van de Topografische kaart van de omstreken van Arnhem, C.J. Dibbets, uit. te Srnhem door P. Nijhoff, 1921.
(Herkomst: H.W.M. van Wijck, Atlas Gelderse Buitenplaatsen, De Veluwe, Provincie- en Streekkaarten, nr. XXXIII)

 

Arnhem en Oosterbeek worden van oudsher gescheiden door de natuurlijke grens die de Slijpbeek vormt. Op de kaart van Dibbets is de Klingelbeek goed te onderscheiden. Hierover wordt door A.J. van der Aa in zijn Aardrijkskundig Woordenboek uit ca. 1845 het volgende gezegd:

"Men vindt er het aanzienlijke landgoed van denzelfden naam (Klingelbeek), en een waterkorenmolen, welke door de Klingelbeek werkt. De huizen aan de westzijde dier beek behooren onder Oosterbeek, en die aan de oostzijde, ten getale van 16 woningen, behooren onder Arnhem."

De kadastrale kaart uit 1932 geeft een goed inzicht in de verdeling van het gebied met eigenaren en grondgebruik. (Afb 3.9)
Het huidige plangebied bestond destijds nog steeds uit diverse percelen die verschillende kleine zelfstandige tuinders toebehoorden.

Deze 'kleine eigenaren’ lagen ingeklemd tussen een aantal grootgrondbezitters, waaronder Quesné van Bruchem (landgoed Den Brink), Teding van Berkhout (Hulkenstein), van Eek (Groot-Mariëndal) en Meijbaum (Klingelbeek). (Afb. 3.10 ).

Bestudering van de kadastrale kaart laat zien dat er tussen de kleinere eigenaren weinig variatie was in het grondgebruik. Het vruchtbare terrein werd in hoofdzaak gebruikt als moestuin en in mindere mate als (sier)tuin (Afb 3 11).

Het ten noorden van de Utrechtseweg gelegen grote landgoed Den Brink had een aanzienlijke oppervlakte grond, aangeduid als ‘terrein van vermaak’. Hetzelfde geldt voor de terreinen van Klingelbeek en het westelijker gelegen Hulkenstein. Ook is duidelijk dat de oprijlaan van huis Klingelbeek vanaf de Utrechtseweg begeleid werd door opgaande bomen in de vorm van een laanbeplantïng.

Op de nettekening verkend in 1844, is voor het eerst het resultaat te herkennen van de grootste landschappelijke ingreep die in de omgeving van het plangebied heeft plaatsgevonden: de aanleg van de spoorlijn Utrecht-Arnhem. (Afb. 3.7)


afb. 3.7

afb. 3.8

Het tracé van de spoorlijn werd diep in de stuwwal ingegraven, waardoor niet alleen een vlak baanvak werd verkregen, maar bovendien zand werd gewonnen. Dit zand werd elders gebruikt maar ook voor een deel op de naastliggende taluds gestort. Hierdoor veranderde het noordelijk gedeelte van de buitenplaats Den Brink sterk, en raakte tegelijkertijd samen met het zuidelijker gelegen gebied, afgesneden van het aangrenzende gebied. Verder valt uit de kaart op te maken dat er ten oosten van het Laantje van Kromkamp een nieuw (zand)pad is ingetekend, dat door de moestuinen loopt. Op de uitgegeven Topografische en Militaire kaart is dit pad duidelijker te zien. (Afb. 3.8)



Omstreeks 1830 nam de familie Meijbaum zijn intrek op het landgoed Klingelbeek. Zij bleven eigenaar tot 1870. Frederik Gerard Meijbaum bezat destijds veel grond in Arnhem, zie ook de Kadastrale Kaart van 1832. Het landgoed Klingelbeek bestond in die tijd uit het huis, erf, met rondom zes grote terreinen van vermaak en een grote oppervlakte aan moestuinen Deze moestuinen lagen ook op iets grotere afstand van het huis. Zo lag bijvoorbeeld vlak aan de Utrechtseweg nog een flink perceel moestuin van ruim 3 ha.

De grond ten westen van de oprijlaan werd na het overlijden van de heer Meijbaum in 1852, door zijn erven verkocht aan de Amerongse predikant Petrus Abraham Borger. Hij stichtte er vervolgens het huis Hoogstede. Waar op de Topografische en Militaire Kaart van ca. 1850 alleen nog maar moestuin ligt, is op de kaart uit 1874 een fraai buiten gesticht. (Afb. 3.12)

Het 'nieuwe' pad dat op de kaart van 1844 voor het eerst duidelijk is te zien, blijkt nu rechtstreeks uit te komen bij een (bij)gebouw van landgoed Hoogstede. (Afb. 13 en 14)

13. Huis Hoogstede eind 19de eeuw, vermoedelijk vanuit het oosten gezien.   |   14. Rechts ook eind 19de eeuw, hier vanuit het zuiden gezien.                    

De vader van dominee Borger was een bekende dichter. Hij schreef, mogelijk geïnspireerd door de buitenplaats van zijn zoon, een ode aan de Rijn:

'Zo rust dan eind'lijk ’t ruwe noorden. Van hageljacht en stormgeloei,
En rolt de Rijn weer langs zijn boorden, Ontslagen van den winterbloei.

Tot aan 1944 stond in de Rosandepolder dichtbij de Spoordijk, de zogenaamde ‘Borgerbeuk.’ De heuvel waarop deze reusachtige boom stond, zou een geliefkoosde rustplaats zijn geweest van Ds. Borger De beuk, vernoemd door de buurtbewoners, is in 1949 door een andere beuk vervangen.
Voordat Huis Hoogstede werd gebouwd had de bewoner van het hoger op de helling geleqen huis Den Brink een ver uitzicht. Hij keek uit op twee boerderijen, Stamme Kamp en Rijnzigt (laatstgenoemde is nu Klingelbeekseweg 134), tuinen, moesgronden en boomgaarden. In 1854 zijn de eigenaren van Den Brink en Hoogstede overeengekomen dat zij elkaar een vrij uitzicht gunden. De Hoogstedebewoners kregen uitzicht op het landgoed Den Brink. Dit zicht werd in acht gehouden doordat bmnen een lengte van 65 ellen (= meter) van het huis Den Brink geen bomen groter dan 5 ellen (meters) aangeplant mochten worden. Anderzijds zou de familie Du Quesné van Bruchem vanaf hun buitenplaats Den Brink uitzicht behouden op de Rijn en de toren van Eist (Afb. 15).

  1. Zichtrelaties Hoogstede - Den Brink en Kllngelbeek, ingetekend op de Topografische Kaart ‘der gemeente Arnhem', P.K.P.J. van Slooten, uitgegeven 1874. (Herkomst: H.W.M. van der WIJck, A tl as Gelderse Buitenplaatsen, De Veluwe, Provincie- en Streekkaarten, nr. XXXII

In een beschrijving van Arnhem en omgeving in een wandelgidsje van omstreeks 1850 wordt een beeld gegeven van de omgeving waarin het plangebied ligt:

Links-af, bij den tolboom, leidt over met graan, tabaksplanten en andere gewassen bedekte heuvelen, door de buurtschap Ciingelenbeek, de naaste weg naar Oosterbeek; wij kiezen dien echter niet, maar vervolgen liever den meer belommerden nu eens rijzenden en dan weer dalenden straatweg naar Wageningen voor bij het jeugdige sierlijke Hoogstede en het allerbekoorlijkst gelegen den Brink, waar de weg zich kromt en men een treffend schoon gezigt heeft, zoo op den breeden heuvel met welig graan bedekt en op welks top een enkele breedgebladerderde boom eenheerlijk effect maakt; als op de laan van zwaar geboomte en met bloemen rijk omzoomd, die hellend van den weg naar laatstgenoemd landgoed van den Heer Du Quesné (=eigenaar van Den Brink), oploopt.


In 1864 verkocht Dominee Borger op een publieke verkoping een oostelijk gedeelte van zijn grond aan drie Arnhemse kooplieden. Dit deel is duidelijk herkenbaar op zowel de Topografische Kaart uit 1874 (Afb. 3.12) als op de Topografisch-Militaire Kaart uit 1880 (Afb. 3.16), als een vierkant, bruin perceel grond ten oosten van het park van Hoogstede. Op de eerstgenoemde kaart is ook te zien dat het overige deel van het huidige plangebied destijds werd gebruikt als akker.

Ook met Klingelbeek ging het omstreeks deze tijd minder goed. Na het overlijden van de heer F.G. Meijbaum (ca. 1870) betrok de familie Dabo het huis. Tijdens de relatief korte periode van 5 jaren waarin de Dabo’s op Klingelbeek verbleven is er vermoedelijk weinig onderhoud gepleegd aan de buitenplaats. De bekende dominee Craandijk vertelt over een van zijn wandelingen het volgende:

'Naast het bosch van Hulkenbosch leidt een zijweg naar Oosterbeek, door de buurtschap Klingelbeek, die reeds van het jaar 1359 dagteekent, toen zij door de verdeeling van de Lopenmark ontstond. Jaren lang was Klingelbeek als een fraai landgoed bekend, dat voortdurend door ontginning van woeste heidegronden verbeterd werd, maar thans is zijn luister grootendeels verdwenen.

Na de familie Dabo kwam in 1875 de familie Loopuyt op landgoed Klingelbeek te wonen. Door hen werd aan het einde van de 19e eeuw de oude luister weer enigszins hersteld en werd het huis omgeven door een fraai park, waarin een oranjerie stond waarin onder meer subtropische gewassen werden geteeld. Verder stonden er op het terrein nog een koetshuis en enige prieeltjes (Afb. 3.17).

Tot op de kaart van 1880 wordt de oprijlaan vanaf de Utrechtseweg richting Klingelbeek aan weerszijden begeleidt door een laanbeplanting. Op de Topografische Kaart van 1895 staan echter alleen nog aan de oostzijde bomen ingetekend. (Afb. 3.18)

Ook het Laantje van Kromkamp en het ten oosten daarvan gelegen pad, hebben een begeleidende beplanting gekregen. Het lijkt hier niet om bomen te gaan, omdat deze elders op de kaart duidelijk los van elkaar worden getekend. Het betreft daarom waarschijnlijk hagen.
Reeds vanaf de kaart van 1895 staat de naam Hoogstede niet langer vermeld. In vergelijking met de andere landgoederen werd dit buiten blijkbaar minder hoog gewaardeerd
Het eerder geopperde vermoeden dat het Laantje van Kromkamp werd begrensd door een haag wordt bevestigd door beeldmateriaal daterend van ca. 1900. Een drietal foto’s geeft samen een mooi panoramisch uitzicht vanuit de tuin van Hoogstede.

Op de voorgrond is het hekwerk te onderscheiden dat het terrein van Hoogstede scheidt van de aangrenzende gronden. Van de tuinaanleg van Hoogstede is op de voorgrond nog een pad te zien. Het zandpad met karrenspoor dat rechts op de foto's loopt, kan herkend worden als het Laantje van Kromkamp met op de kruising met de Klingelbeekseweg de boerderij Rijnzigt. Aan de linkerzijde wordt het pad afgeschermd door een lage haag. Ook rondom andere percelen staan hagen Helemaal links op de foto's is nog een deel van het tweede zandpad te zien, welke tussen twee boerderijen doorloopt en eveneens uitkomt op de Klingelbeekseweg. Uiterst links is in de verte het hoge geboomte te zien van het park van Huize Klingelbeek. Op de achtergrond stroomt de rivier de Rijn.
[Bron: Gelders archief, samengesteld uit de nrs. 1501-04-4472, 4473 en 4474]

3.4. Verstedelijking met behoud van agrarische kern in de 20e eeuw.
Sinds het optekenen van de kaart uit 1895 (Afb. 3-18) is er opvallend veel meer bebouwing verschenen in het gebied.

Op de topografische kaarten van 1903 en 1910 zijn de verdergaande ontwikkelingen te zien. (Afb. 3.19 en 3.23)

Ten zuiden van de Klingelbeekseweg, waar op de kaart uit 1874 een suikerfabriek was ingetekend, verscheen een steenbakkerij. Door de hoeveelheid aan gebouwen verdween een deel van openheid in de uiterwaarden. Het is aannemelijk dat de vergezichten vanuit Den Brink en Hoogstede vanaf die tijd minder fraai zijn geworden.

Twee nieuwe gebouwen verschenen halverwege het Laantje van Kromkamp, Ook aan de oprijlaan vanaf de Utrechtseweg naar Klingelbeek werden bouwsels geplaatst. Tenslotte kan opgemerkt worden dat ook de bebouwing ten zuiden van de Utrechtseweg vanuit Arnhem-Centrum begon op te rukken richting het westen.
In 1903 wisselde Huize Klingelbeek opnieuw van eigenaar. Het goed kwam in handen van de uit Duitsland gevluchte paters van de orde der Oblaten van Maria. Tijdens de periode dat zij het landgoed bewoonden werd het goed matig onderhouden.

Onderstaande foto uit het begin van de 20e eeuw geeft een impressie van de met bomen begeleide oprijlaan van Klingelbeek. (Afb. 3.24)

Links op de afbeelding zijn de bouwsels te zien die halverwege de oprijlaan stonden, waar het zandpad zich afsplitste.

In 1912 werd de Utrechtseweg verbreedt ten behoeve van de tram, waarna de bebouwing ten zuiden van de weg zich ontwikkelde tot een aaneengesloten lint. Inmiddels staan er ook aan weerszijden van de noordwaartse zwaai van de Klingelbeekseweg woningen. De bebouwing alhier dateert van omstreeks 1920-1930 en wijkt duidelijk af van dat langs het oost-west verlopende gedeelte van de weg.

Het landgoed Klingelbeek kreeg in 1920 een nieuwe eigenaar: de Congregatie van fraters van Onze Lieve Vrouwe van het Heilig Hart van Utrecht. Zij verblijven er tot 2009. Het buiten, vanaf dat moment Sint Eusebiushuis geheten, onderging sindsdien diverse veranderingen, waaronder herindeling en uitbreiding van het hoofdhuis.
Uit de Topografische Kaart van 1931 wordt duidelijk dat de oprijlaan van Klingelbeek niet langer doorloopt tot de Utrechtseweg. (Afb. 3.25)

Het noordelijkste gedeelte was inmiddels volgeplant met bomen en/of struikgewas. Mogelijk betrof het een kleine boomgaard. In het jaar 1932, na het overlijden van Ds. Borger, ging het resterende gedeelte van Hoogstede over in handen van de N.V Draaisma-Woudstra. In de dertiger jaren heeft vervolgens het grootste deel van het parkbos moeten wijken voor woningbouw. In het kader van de ontsluiting is het oude zandpad vervangen door de Hoogstedelaan. Het tracé van het zandpad werd hiervoor, ter hoogte van de westelijke aansluiting op de Utrechtseweg, onder een zeer scherpe hoek gesneden. Dit is duidelijk te zien op de luchtfoto van 1937. (Afb, 3.26)

In het oosten sluit de Hoogstedelaan nu via de Rosandelaan aan op de Utrechtseweg. De aansluiting van de Rosandelaan bevindt zich ongeveer op het punt waar voorheen de oprijlaan van Klingelbeek aansloot op de Utrechtseweg.
Uit de foto kan verder opgemaakt worden dat in de achtertuinen van de huizen aan de Klingelbeekseweg en tevens in het oostelijk deel van hel huidige plangebied, allerlei bijgebouwtjes, schuurtjes en kassen geplaatst zijn.

De nieuwe bebouwing concentreerde zich tussen de Hoogstedelaan en de Utrechtseweg. (Afb. 3.27)

Uitzondering hierop vormden de twee huizenblokken ten zuiden van de Hoogstedelaan. De bebouwing bestond uit vrijstaande en gekoppelde woningen.
De Tweede Wereldoorlog heeft zijn sporen in het gebied achtergelaten. Vanaf 1941 bezetten de Duitsers het St. Eusebiushuis. Het jaar daarop werden de fraters door de S.S. verjaagd. Uiteindelijk raakte het huis, net als verscheidene panden aan de Hulkesteinseweg en het terrein van Den Brink, aan het einde van de oorlog zwaar beschadigd door beschietingen. Huize Hoogstede raakte zelfs zo erg beschadigd dat het nooit meer is hersteld. Op de luchtfoto van het gebied uit 1945 is een grote krater te herkennen op het terrein van Hoogstede. (Afb. 3.28).

Direct ten zuiden van de Hoogstedelaan kan een loopgraaf herkend worden.

Tegenwoordig kan men op het hoogste punt van de Klingelbeekseweg nog een ingegraven geschutskoepel van een Shemnantank terugvinden. Deze dateert echter uit de tijd van de Koude Oorlog (jaren 50 en 60 van de 20e eeuw) en had een verdedigingsfunctie voor de IJssellinie, waar ook de drijvende stuw in het Rijnhaventje naast Huize Klingelbeek voordiende.

Na de oorlog keerden de fraters terug naar het St. Eusebiushuss. Zij herstelden hun zwaar beschadigde gebouwen en met hulp van de Nederlandsche Heidemaatschappij werden een nieuwe heestertuin, moestuin en bloementuin aangelegd.

Terwijl Klingelbeek/St. Eusebius een tweede kans kreeg na 1945, betekende De Slag om Arnhem het einde voor Huize Hoogstede. Vanwege zware beschadigingen werd besloten de restanten van het gebouw geheel op te ruimen. In 1952 verrees hiervoor in de plaats het bejaardencentrum 'Huis en Haard’, welke op de topografische kaart van 1957 staat ingetekend. In de jaren zestig werd de zuidzijde van de Hoogstedelaan verder bebouwd. Sindsdien wordt de noordelijke grens van het plangebied gedomineerd door bebouwing.

In de latere jaren vonden er geen ingrijpende wijzigingen in het gebied meer plaats. (Afb. 3-32.)

Wel wisselde de bebouwing langs de Klingelbeekseweg. Oude woningen werden afgebroken en nieuwe kwamen ervoor in de plaats en ook vond er een verdichting van de bebouwing plaats. Tegenwoordig staat er langs de Klingelbeekseweg een grote variatie aan woonhuizen, zowel qua stijl, uitstraling, als ouderdom.

De huidige grote maïsakker ontstond door geleidelijke samenvoeging van de oorspronkelijke kleinere akkers, waarbij hagen als perceelsgrenzen en eenvoudige doorsnijdende landwegen werden opgeheven.


Uit: In de Buurt van de Stad ~ Een sociaal ruimtelijke analyse van de buurt Hoogstede-Klingelbeek voor stedelijk ontwerp ~
Mirjam Koedoot, Henk de Haan. Wetenschapswinkel Wageningen UR, April 2005