KEMA » Kortsluitlaboratorium » Opening gebouwen (1938)

KEMA - N.V. tot Keuring van Elektrotechnische Materialen te Arnhem, door Ing. G.H. Selis.

[Bron: ARNHEM DE GENOEGLIJKSTE - Orgaan van het Arnhens Historisch Genootschap "Prodesse Conamur" van 1792. Jaargang 7, nummer 1, maart 1987 en nummer 2, juni 1987]

Hoe het begon
In 1913, dus bijna driekwart eeuw geleden, maakte een aantal directeuren van Nederlandse elektriciteitspedrijven tijdens een excursie naar Duitsland, een tocht met een raderboot op de Moezel. Onder het genot van de edele Moezelwijn werd daar op die boot het initiatief genomen tot de oprichting van de Vereniging van Directeuren van Elektriciteitsbedrijven in Nederland (VDEN). Het doel was regelmatig overleg met elkaar te plegen teneinde de gemeenschappelijke belangen van de bedrijven te behartigen en ervoor te zorgen dat in een later stadium een engere samenwerking tussen de bedrijven en een aaneensluiting van de netten mogelijk zou zijn. Met de steun van de besturen der elektriciteitsbedrijven (de provinciale en gemeentelijke overheden) is de VDEN uitgegroeid tot een orgaan dat veel in het belang van de elektriciteitsvoorziening tot stand heeft kunnen brengen.

Van de verschillende commissies die de VDEN instelde, was de Commissie voor Hoogspanningslijnen wel een zeer belangrijke. Ir J.C. van Staveren, die bij deze commissie in 1918 in dienst was getreden, werd, toen het bureau van deze commissie in 1922 omgezet werd in het Centraal Bureau van de VDEN, tot directeur van dat bureau benoemd. Het Bureau was gevestigd in Maastricht, de zetel van de toenmalige voorzitter van de VDEN, dipl.-ing. J.G. Bellaar Spruyt, directeur van de Stroomverkoopmaatschappij (later de Provinciale Limburgse Elektriciteitsmaatschappij, de PLEM). Men had daar, in de Breedestraat, de beschikking over enkele kamers. Het personeel bestond uit slechts enkele personen, o.a. ir de Zoeten, een knap ingenieur (later directeur van de KEMA en professor) en dipl.-ing. Claus, behalve technicus een man met een talenknobbel.

Het produkt van dat kleine groepje was beschreven papier (brieven en rapporten). De post moest elke avond naar de trein worden gebracht; een typiste bracht het pak achter op de fiets in ijltempo naar het station, waar ze al spoedig een bekende verschijning werd. Het schijnt te zijn voorgekomen dat de chef het geven van het vertreksein voor de trein nog even heeft uitgesteld tot het bekende meisje met de Centraal Bureau-post arriveerde (met een lekke band?). Dat meisje werd later de directiesecretaresse en het hoofd van de Correspondentie-afdeling van de KEMA.

Aangezien er zich in die tijd na de Eerste Wereldoorlog, op het gebied van hoogspanningskabels moeilijkheden voordeden, gaven enkele elektriciteitsbedrijven het Centraal Bureau opdracht een diepgaand onderzoek naar de oorzaken van die moeilijkheden in te stellen. Het hoogpanningslaboratorium van de TH in Delft werd voor wat de meetmethodiek betreft, daarbij betrokken. Het Centraal Bureau volbracht die opdracht met succes. Het werk leidde tot de invoering van de ionisatiespanning als belangrijk kriterium voor de beoordeling van hoogspanningskabels

Het Centraal Bureau kreeg op grond hiervan van verschillende elektriciteitsbedrijven, die hoogspanningskabels bestelden, het verzoek de afname-keuring van die kabels op zich te nemen. Die keuringen vormden het begin van de keuring van allerlei elektrotechnisch materiaal. In 1924 werd daarvoor een aparte afdeling - de keuringsafdeling van het CB - opgericht en voor de werkzaamheden werd extra personeel aangetrokken. De ingenieurs verrichtten die keuringen, voor zover het geen afname-keuringen in fabrieken betrof, in de laboratoria van enkele grote elektriciteitsbedrijven alsook bij de TH in Delft.

Uit de voortdurende toename van het keuringswerk bleek al spoedig dat de keuringsafdeling in een grote behoefte voorzag. Men kwam tot de conclusie dat dit werk eigenlijk zou moeten gebeuren door een afzonderlijk lichaam, dat over een eigen laboratorium zou moeten beschikken. De provincies en grote gemeenten die in Nederland een elektriciteitsbedrijf exploiteerden, besloten daarom tot de oprichting van de KEMA, hetgeen op 20 oktober 1927 gechiedde. Tot directeur van de nieuwe NV werd benoemd ir. Van Staveren.

Toen hij in den lande op zoek ging naar een geschikte plaats voor het laboratorium, meer centraal gelegen dan Maastricht, kreeg Van Staveren een aanbod van ir. Lohr, directeur van de PGEM te Arnhem, die door aankoop de beschikking had gekregen over de dépendance van het hotel Bellevue. De heer Lohr had dat gebouw met de grond gekocht om op het terrein t.z.t. een nieuw kantoorgebouw voor de PGEM te bouwen.

In Arnhem
Op Bovenover, zoals vroeger het hoge deel van de Utrechtsestraat werd genoemd in tegenstelling tot Onderlangs, op de plaats waar nu het kantoorgebouw van de PGEM staat, verrees in het midden van de vorige eeuw een groot luxe hotel, met de passende naam "Bellevue", want het uitzicht van dat hoge punt, over de Rijn en de Betuwe, is inderdaad mooi. Het was een chique hotel waar de echtgenote van koning Willem II, H.M. Anna Paulowna, geb. Grootvorstin van Rusland, na de dood van de koning regelmatig logeerde. Er was speciaal voor haar aan de oostzijde een dependance gebouwd. Bijgaande afbeelding geeft daarvan een indruk. Links staat het hoofdgebouw van het hotel en rechts de dependance. Volgens het boek "Arnhem" van Markus heeft er voor het hotel een standbeeld van koning Willem II gestaan (onthuld in 1865), dat echter een kwart eeuw later naar "Bronbeek" werd overgebracht.

Toen in het begin van deze eeuw het hotel afbrandde, bleef de dependance behouden. Deze bleef nog als hotel in gebruik. Nadat het gebouw in handen van de PGEM was gekomen en in 1927 ter bechikking van de KEMA werd gesteld, werd het tot laboratorium verbouwd. Hoewel het een oud gebouw was - ir. De Zoeten schreef eens: "het gebouw was oud, om niet te zeggen wankel" - maakte het een heel aardige indruk en het lag op zo'n prachtige plaats. En het personeel was bijzonder ingenomen met het feit dat men nu in een "eigen" laboratorium kon werken. Dat personeel was dus verhuisd van Maastricht naar Arnhem. Het was maar een klein groepje dat onder aanvoering van ir. Van Staveren naar het noorden trok: 4 ingenieurs, 2 technici en 3 typistes (2 anderen bleven liever in Maastricht). Dit personeel werd reeds direct uitgebreid om het nieuwe laboratorium te bemannen. En die uitbreiding werd in de volgende jaren voortdurend voortgezet. Eind 1928 was de bezetting: één directeur, 8 ingenieurs, 3 technici, 6 correspondenten, 1 instrumentmaker en 3 verdere medewerkers.

Van het gebouw was de begane grond tot het eigenlijke laboratorium ingericht. Daar bevonden zich:

De bovenverdieping bevatte de directiekamer, enige ingenieurskamers, de tekenkamer, de typekamer , enige spreekkamers, een lampenkamer (duurproeven met lampen) en een toonkamer. Het laboratorium had een aansluiting op het hoogspanningsnet (10 kV) en een op het nog in de binnenstad van Arnhem aanwezige gelijkstroomnet (220 V).

Met betrekking tot de omvangrijke elektrische installaties alleen even het volgende. De schakelborden in alle ruimten waren, zoals in die 21 tijd in laboratoria gebruikelijk was, geheel open. Ze waren van prachtig grijsblauw marmer waarop de open, blinkende koperen hefboomschakelaars en de blanke aansluitklemmen waren gemonteerd. Alles open en bloot, als 't ware uitnodigend tot zelfmoord. Om de marmeren borden waren mooie eikenhouten omlijstingen aangebracht.

Achter het gebouw bevond zich nog een laag gebouw, een soort loods, die als opslagruimte dienst deed; hierin bevond zich ook een garagebox voor één auto nl. die van de directeur. Als hij later al die auto's op de KEMA-terreinen zag staan, zei hij wel eens: "Vroeger was ik de enige met een auto en nu de enige zonder auto".

In 1930 aanvaardde ir. Van Staveren het ambt van Bijzonder Hoogleraar in de Technische Physica aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, waarna hij dus Professor ir. Van Staveren was.

Uitbreiding van Bellevue
Aangezien de opdachten in ruime mate binnenkwamen, was voortdurend meer personeel nodig en daardoor groeide ook de behoefte aan meer werkruimte. Uitbreiding was nodig. Die uitbreiding bestond uit een groot herenhuis op de hoek van de Utrechtsestraat en het Nachtegaalspad, en een villa tussen dat huis en Bellevue. Het grote huis "Amalia" werd geheel als kantoorgebouw ingericht, terwijl de benedenverdieping van de villa "Cornelia" tot werkplaats en instrumentmakerij werd omgevormd. De bovenste verdieping werd ingericht als ruimte voor demonstraties en huishoudelijke voorlichting. Daartoe was een huishoudlerares aangetrokken. 22 Het gehele Bellevue-gebouw werd nu laboratorium, met uitzondering van de vroegere directiekamer op de bovenverdieping van het hoge deel, die enkel als vergaderzaal dienst bleef doen. Eind 1929 was het zover. Nu konden ook alle toestellen die intussen ontwikkeld waren, en de overige apparatuur een plaats krijgen. Op de bovenverdieping werd ook een compleet lichttechnisch laboratorium ingericht.

Door de aankoop van de beide villa's werd het grondstuk vergroot en dat bood de mogelijkheid tot de bouw van een trillingsbank, voor het nabootsen van trillingen die in hoogspanningslijnen kunnen optreden (niet het zgn. galopperen van de lijnen, een euvel waarmee men pas in latere jaren te maken kreeg). Een tweetal lijnen van staal-aluminium-draden, met een lengte van enige tientallen meters was strak gespannen en opgehangen aan enige isolatorkettingen. Elk der beide draden liep tussen de poolschoenen van een zware elektromagneet door, die geplaatst was in een soort hondehokje op rails. Indien nu wisselstroom, afkomstig van een speciaal aggregaat, door de lijn werd gestuurd en de magneet met gelijkstroom werd bekrachtigd, raakte de lijn in trilling. Door het verrijden van de magneet kon de plaats van de buiken en de knopen in de trillende lijn worden gewijzigd. Er werden zgn. trillingsdempers mee getest, die in de buurt van de ophangpunten op de lijn werden bevestigd. De trillingsbank werkte zo goed dat alles in de buurt begon mee te trillen, terwijl het continue gebrom aan overvliegende vliegtuigen deed denken. De bewoners van het Nachtegaalspad kwamen dan ook al gauw protesteren. Aan het eerstgenoemde euvel werd 23 tegemoetgekomen door de fundatie van de steunpunten in kuilen met turfmolm te plaatsen en aan het tweede door het oprichten van een "acoustisch verantwoord" soort van baldekijn. Maar volkomen afdoende waren deze maatregelen niet en na aankoop van het Brinkterrein werd het hele geval dan ook ijlings daarheen verhuisd.

Tentoonstellingen
Het werd nu voor de KEMA tijd om ook eens in het openbaar op te treden. Dat vond in 1930 plaats op een grote industrietentoonstelling, de "Zevenmijls" in Enschede. De KEMA had daar twee stands, de ene toonde door middel van een aantal keuringstoestellen de keuring van installatiemateriaal en huishoudelijke toestellen, de andere het werk van het hoogspanningslaboratorium. Het opzetten van die stands was geen gering karwei. Transformatoren en toestellen moesten uit Arnhem naar Enschede worden overgebracht en daar zodanig worden opgesteld dat alles in werking kon worden getoond.
De KEMA had toen juist haar eerste stootspanningsgenerator bij Siemens aangeschaft. Op de reis van Berlijn naar Arnhem werd dat toestel in Enschede uit de trein geladen en op de tentoonstelling opgesteld in het hoogspanningslaboratorium. De generator bestond uit een aantal lange, buisvormige condensatoren, die op een houten stellage lagen, waarop ook vonkbruggen waren gemonteerd. Hij was bestemd voor het onderzoek van bliksemafleiders en proeven waarbij de bliksem werd nagebootst. De maximumspanning was een half miljoen Volt. Tijdens een voorproefje na de opstelling, viel bij de 24 eerste bliksemslag in een deel van de tentoonstelling het licht uit. Maar overigens was de demonstratie met dit toestel een groot succes. Drommen toeschouwers stonden de bliksemslagen ademloos te bewonderen. Het was zo enerverend dat er een paar schoolkinderen flauw bij zijn gevallen. Die condensatoren schijnen het overigens na een paar jaar al te hebben afgelegd; ze zijn toen vervangen door condensatoren met olievulling.

Na de "Zevenmijls"-tentoonstelling in Enschede ging de reis van de stootspanningsgenerator verder naar Arnhem, waar hij werd opgesteld in het bijgebouw van Bellevue, dat eerst als magazijn dienst had gedaan. Het magazijn en de expeditie werden toen ondergebracht in een perceel aan de Bellevuestraat, eigendom van de PGEM. Ir. Lohr, die de KEMA een warm hart toedroeg, was evenals prof. Van Staveren een man met een vooruitziende blik. Toen hij Bellevue ter beschikking van de KEMA stelde, voorzag hij blijkbaar al dat de KEMA een belangrijke instelling voor Arnhem zou worden. Eén van de opdrachten waarvoor de stootspanningsgenerator nodig was, was het onderzoek of blikseminslag wellicht de ramp met het vliegtuig "De Uiver" kon hebben veroorzaakt. Er werd een metalen kooi gemaakt, die het vliegtuig moest voorstellen en de stootspanningsgenerator stuurde bliksemstralen op die kooi af. Daarin zat voor alle zekerheid geen mens maar een rat. Nu, die ging gewoon door met het besnuffelen van de kooi en trok zich verder nergens wat van aan.

Den Brink
In de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van 19 december 1930 werd besloten tot de bouw van een kortsluithuis, een laboratorium waarin schakelaars zoals die voor de beveiliging in hoogspanningsnetten voorkomen, met groot vermogen zouden kunnen worden beproefd om vast te stellen of zij in staat zijn bij kortsluitingen het betrokken netgedeelte met succes uit te schakelen.
Waarom zulk een kortsluitlaboratorium in Nederland? Er waren wel enkele kortsluithuizen in het buitenland doch die waren in het bezit van een paar grote fabrieken. De Nederlandse industrie en ook veel buitenlandse fabrikanten konden daar praktisch niet terecht bij de ontwikkeling van hun produkten. Bovendien achtten de elektriciteitsbedrijven het gewenst over de mogelijkheid te beschikken de schakelaars die ze wilden aanschaffen, te kunnen laten beproeven door een onafhankelijk laboratorium.
Aangezien voor zo'n kortsluithuis, met alles wat daarbij te pas komt, een aanzienlijk groter terrein nodig was dan dat van het Bellevuecomplex, werd tot aankoop van het westelijke deel van het landgoed "Den Brink", eigendom van baron van Pallandt, overgegaan (dec. 1931). Het was een prachtig bebost landgoed met veel groen en bijzondere bomen. Het Geldersch Landschap, dat juist in die tijd was opgericht, had op de een of andere wijze ook zeggenschap en daardoor was de voorwaarde gesteld dat het parkachtige karakter van het landgoed moest worden bewaard. En dat is tot op de huidige dag ook het geval geweest.
Het bouwrijp maken van het terrein, dat door de Heidemaatschappij in werkverschaffing werd uitgevoerd was in mei 1933 gereed.


Afb. 2. De eerste spade gaat in den grond. Het bouwrijp maken van het Brinkterrein geschiedde nog met eenvoudige middelen, zoals kruiwagens. De tweede resp. derde persoon van links zijn Ir. Lohr en Prof. van Staveren

Maar toen stagneerde de hele zaak. De rijksoverheid wilde de KEMA liever in Delft hebben opdat de TH er ook profijt van zou kunnen hebben. De aandeelhouders, de directie en het personeel zagen niets in dat plan en er volgde nu een drie jaar durende periode van onzekerheid en onderhandelen. Gedurende die tijd mocht er op Den Brink niet worden gebouwd.
Begin 1936 viel de beslissing, de KEMA kon in Arnhem haar gang gaan. Nu verrezen in een vlot tempo op het Brinkterrein de Werkplaats, het Kortsluithuis en het Algemeen Laboratorium. Vervolgens nog het Hoogspanningslaboratorium, het Voorlichtingsgebouw en het kantoorgebouw. Op 14 oktober 1938 werd het gehele complex officieel door Z.K.H. Prins Bernhard in bedrijf gesteld. Bijgaand het programma voor dat feestelijke gebeuren.
Zoals gebruikelijk bij zo'n mijlpaal werden vele cadeaus aangeboden. Het geschenk van het personeel, dat intussen tot zo'n 100 mensen was uitgedijd beistond uit een grote lichtmast, met in de voet het passende opschrift "Onderzoek brengt Licht".

PROGRAMMA VOOR DE INBEDRIJFSTELLING DER NIEUWE LABORATORIA VAN DE N.V. TOT KEURING VAN ELECTROTECHNISCHE MATERIALEN TE ARNHEM
DOOR Z.K.H. PRINS BERNHARD DER NEDERLANDEN OP VRIJDAG 14 OCTOBER 1938
.

1. Opening.
2. Wilhelmus van Nassouwe.
3. Rede uit te spreken door den President-Commissaris der Vennootschap, den heer Mr. S. Baron van Heemstra.
4. Ouverture Egmont (L. van Beethoven).
5. Rede uit te spreken door den Directeur der Vennootschap, den heer Prof. Ir. J. C. van Staveren.
6. Academische feeélouverture (J. Brahma).
7. Plechtige opening door Z.K.H. Prins Bernhard der Nederlanden.
8. Wilt heden nu treden (uit Valeriua' Gedenckklank).
9. Sluiting.
Na afloop der plechtigheid volgt een rondwandeling over het terrein en door de nieuwe laboratoria, eindigende inhet Voorlichtingsgebouw, alwaar van 16.30—18.— uur een receptie zal worden gehouden.
Uitvoering der muziekwerken door de Arnhenuche Orkejtvereeniging onder leiding van Jaap Spaanderman.

Het belangrijkste laboratorium was het kortsluithuis met zijn generator met een kortsluitvermogen van 500 MVA (500 000 kVA). De machinezaal bevatte bijvoorbeeld de generator, van Engels fabrikaat (Parsons), aangedreven door een 1000 pk motor en het bekrachtigingsaggregaat (Nederlands fabrikaat). Dit bekrachtigingsaggregaat, dat uiteraard gelijkstroom levert, is ontworpen voor een spanning van 1500 V, opdat ook gelijkstroomproeven voor de Nederlandse Spoorwegen mogelijk zouden zijn.

De oorlogsjaren
De KEMA boerde goed. Kort voor de oorlog werd ook het oostelijke deel van het landgoed aangekocht, waardoor het gehele terrein nu 21 ha groot was. Maar toen kwam de oorlog met alle gevolgen van dien. Het werk stagneerde in ernstige mate en onderging ook een verandering; allerlei nevenactiviteiten vonden plaats. Zo werd bijvoorbeeld tabak die door de Heidemij was gekweekt, door de KEMA elektrisch gefermenteerd. Het resultaat was goed en ieder personeelslid (zowel van de KEMA als van de Heidemij ) kreeg een paar pakjes sigaretten door Turmac uit die tabak vervaardigd. De pakjes droegen het opchrift "Voor smaak en geur, rookt KEMA-Keur"

Tijdens de slag om Arnhem werd ook het Brinkterrein slagveld. En toen het personeel na de gedwongen evacuatie, in 1945 terugkwam, bleken de gebouwen en het hele park ernstig te zijn beschadigd en was vrijwel de gehele outillage naar Duitsland afgevoerd. De kortsluitgenerator in zijn geheel was blijkbaar te zwaar om mee te nemen en daarom volstonden de rovers met het meenemen van de rotor daarvan. Van alles wat was weggevoerd, werd na de bevrijding bij speurtochten in Duitsland praktisch niets teruggevonden. Maar juist die rotor kwam boven water. Ergens in het Ruhrgebied op een halfverbrande spoorwagon op een gebombardeerd goederen-emplacement. Een aantal motoren kreeg de KEMA terug uit Goor, waar ze door de Duitsers in een eternietfabriek in gebruik waren genomen. Via de motorenfabriek, waaraan men de gegevens van de typeplaatjes had opgestuurd, kon worden vastgesteld dat ze destijds aan de KEMA waren geleverd. En een personeelslid zag op een gegeven ogenblik tot zijn verbazing bij het station Oosterbeek-Laag één van de bekrachtigings-generatoren van het kortsluithuis op een wagon staan. Misschien was die om de een of andere reden bij het vervoeren van de kortsluithuis-outillage daar afgehaakt. De condensatorbatterij van de stootspanningsgenerator van het Hoogspanningslaboratorium kwam lange tijd na de bevrijding weer bij de KEMA terecht via de Zwitserse firma die de condensatoren destijds had geleverd. Een Duitse firma had ze aldaar, argeloos, ter verkoop aangeboden!
Tijdens de evacuatie van Arnhem in september 1944 was het gehele personeel over het land verspreid geraakt. Prof. van Staveren en Prof. de Zoeten ontwierpen in een tuinhuisje in Eerbeek, slecht verwarmd door een met takken gestookt zogenaamd schipperskacheltje, de plannen voor een na de oorlog op te richten SEP. En toen ze begin 1945 vernamen dat de hele KEMA was leeggeplunderd, werden meteen plannen voor de wederopbouw na de terugkeer gesmeed.

Actie na de bevrijding
Direct na de bevrijding klom Prof. van Staveren op een geleende fiets en reed naar Amsterdam (treinen reden er nog niet, evenmin als particuliere auto's), waarbij zijn onafscheidelijke zwarte hoed nog in een kanaal waaide. Hij ging met de aandeelhouders, die daar bijeen waren geroepen, overleggen hoe men uit de puinhopen in Arnhem de KEMA weer op gang zou kunnen krijgen. Besloten werd de zaak in vergrote vorm weer op te bouwen. Zo werden voor het kortsluitlaboratorium twee kortsluitgeneratoren besteld met een gezamenlijk kortsluitvermogen van 1100 MVA. De Engelse fabriek Parsons kon nu niet leveren en daarom werd het nu Zwitsers fabrikaat. Bij de bouw van de machinezaal destijds was al rekening gehouden met een tweede generator. De oude Parsonsgenerator werd na reparatie aan Italië verkocht (de professoren waren behalve technici ook nog kooplui!).
Van het personeel dat uit de verschillende evacuatie-oorden in het hele land weer was opgetrommeld, werd een deel aan het "puinruimen" op Den Brink gezet, terwijl de rest gedurende een half jaar in Amsterdam te werk werd gesteld, waar een tijdelijk kantoor bij de ANIEM was gevestigd en een tijdelijk laboratorium bij het GEB Amsterdam. Zo kon eenieder weer aan de slag. Na enige jaren van extra inspanning, waarbij grote steun van vele kanten, in het bijzonder van de aandeelhouders, werd ondervonden, bleek niet alleen de geleden schade te zijn hersteld maar waren bovendien de mogelijkheden voor beproeving en onderzoek in sterke mate ver groot (ook van buitenland werd hulp ondervonden; zo kwam de Zwitserse zusterorganisatie een aantal horloges en costuums aanbieden ter verdeling onder het berooide personeel).
Op 20 oktober 1952, ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de KEMA, konden de herstelde en uitgebreide laboratoria door de Minister van Economische Zaken, Prof.Dr.J. Zijlstra, worden geopend.

Uitbreiding van het terrein
Sindsdien heeft de KEMA zich in sneltreinvaart ontwikkeld. Het terrein werd voortdurend uitgebreid. Eerst werd een perceel grond ten noordwesten van Den Brink gekocht, waarop het Kernreactorlaboratorium, het tweede Algemeen Laboratorium en het Laboratorium voor Mechanische Technologie werden gebouwd. Dit terrein lag aan de andere zijde van de spoorlijn Arnhem-Nijmegen en werd door een tunnel met het Brinkterrein verbonden; er was overigens al een viaduct. Vervolgens werd een terrein aan de zuidzijde van de Utrechtseweg aan het bezit toegevoegd. Daarop verschenen het Laboratorium voor Toestellen en Installatiemateriaal en later het Adviesbureau Hoogstede. Intussen werden de kortsluitvermogens in de hoogspanningsnetten steeds groter, door de bouw van koppelnetten, waardoor alle Nederlandse
centrales onderling met elkaar werden verbonden en vervolgens door de verbindingen met het buitenland. De toegepaste vermogensschakelaars kregen steeds groter stromen uit te schakelen.


Het kortsluitvermogen van het kortsluitlaboratorium hield daarmee gelijke tred en werd telkens vergroot. Er kwam een tweede kortsluitlaboratorium naast het eerste, met twee generatoren van 1500 MVA elk, bij spanningen tot 150 kV. Bij de constructie van deze generatoren werd door de fabrikant dankbaar gebruik gemaakt van de kennis en de ervaring door de KEMA opgedaan bij het bedrijf van het kortsluitlaboratorium I. Het ontwerpen van een kortsluitgenerator, waarin bij elke proef enorme elektrodynamische krachten optreden, is namelijk een heel ander karwei dan de bouw van de gebruikelijke generatoren in de centrales.

Dit tweede laboratorium werd in oktober 1958, juist 20 jaar na het eerste laboratorium officieel geopend en wederom door Z.K.H. Prins Bernhard. Op 2 juni 1966 werd het gehele kortsluitcomplex de naam "De Zoeten Laboratorium" gegeven, ter nagedachtenis van Prof.ir.G. de Zoeten, die een zeer groot aandeel in de ontplooiing van de KEMA had gehad en speciaal nauw betrokken was geweest bij het ontwerp van het eerste kortsluitlaboratorium. Hij was in 1947 mededirecteur geworden. De KEMA leed een groot verlies toen hij in 1965 onverwacht stierf. Ook het vermogen van deze twee laboratoria bleek na een aantal jaren weer te klein. Eerst werd in 1967 het vermogen van de beide generatoren van het De Zoetenlaboratorium I (DZL I) van totaal 1100 MVA vergroot tot 1500 MVA en daarna werd een grote sprong gemaakt. In de Rosandepolder werd voor de bouw van een geheel nieuw laboratorium aan de Rijnkant een terrein van een oude steenfabriek aangekocht. Het terrein moest danig worden opgehoogd om moeilijkheden bij hoogwater te voorkomen.

Na een bouwtijd van 4 jaar werd daar op 19 december 1973 het DZL IV »» officieel in gebruik gesteld door de president-commissaris van de KEMA, de heer Mr.H.W. Bloemers, Commissaris der Koningin in Gelderland, die op het terrein destijds ook de eerste paal had geslagen.
Dit nieuwe laboratorium heeft vier generatoren met een gezamenlijk kortsluitvermogen van 8500 MVA, waarvan wel het bijzondere is dat ze niet alleen stromen van 50 Hz, de gebruikelijke frequentie in Europa, maar ook stromen kunnen leveren van 60 Hz, welke frequentie in Amerika en Canada gebruikelijk is. Dat betekent dat de generatoren met een snelheid van zelfs 3600 omwentelingen per minuut moeten kunnen draaien.
Ook zijn proeven mogelijk met lagere frequenties, zoals 16 2/3 en 25 Hz, gebruikelijk bij de meeste Europese spoorwegen.
Het laboratorium is een wonder van technisch vernuft, maar wat hier bereikt is, nadert wel de grens van wat technisch nog mogelijk is, althans voor sommige bestanddelen zoals de generatoren.
Het was bij de ingebruikstelling in 1973 het grootste en modernste kortsluitlaboratorium ter wereld en dat is het waarschijnlijk ook heden nog, en zeker het enige universele laboratorium waar proeven met groot vermogen bij verschillende frequenties kunnen worden uitgevoerd. 1) DZL III is een kleiner laboratorium, bedoeld voor proeven met lage spanning en proeven met gelijkstroom (inmiddels buiten bedrijf gesteld)
Professor Ir. G. de Zoeten, directeur van de KEMA van 1947 tot zijn onverwacht overlijden in 1965.

Bij de bouw is rekening gehouden met de mogelijkheid tot verdubbeling. Maar of het ooit zover zal komen, is de vraag, gezien de enorme investering die zoiets vraagt en die bijna niet meer is op te brengen. Daarbij komt nog het feit dat het aantal fabrieken dat schakelaars voor groot kortsluitvermogen vervaardigt, door fusies e.d. langzamerhand afneemt. Ook de oude leegstaande papierfabriek van Van Gelder werd gekocht en daarin vond het Elektrum een plaats. Later werden nog de terreinen met gebouwen van Veluco en Sareco aan het bezit toegevoegd. Alle terreinen (nu totaal 65 ha) zijn door wegen, tunnels en viaducten met elkaar verbonden. Overigens was niet iedereen ingenomen met het opslokken van die vele terreinen door de KEMA.
Zo klaagde een bewoner van West-Arnhem eens dat hem daardoor zoveel wandelmogelijkheden waren ontnomen. Inderdaad kan men door het afsluiten van de Brinkweg niet meer van de Zuidelijke Parallelweg rechtstreeks in Mariëndaal komen en door het afsluiten van de Hesweg was een rechtstreekse verbinding van de Utrechtseweg met de Klingelbeekseweg ter hoogte van Hoogstede verbroken. Als tegenprestatie heeft de KEMA de Spoorlaan in Mariëndaal tot een verhard fietspad laten maken en tussen de Hoogstedelaan en de Klingelbeekseweg een verharde weg laten aanleggen. Er liep daar volgens de kaart wel een zandweg, maar die bleek in de loop van de tijd ongeveer tot een voetpad te zijn gereduceerd, wellicht doordat de boer bij het ploegen van het aanpalende land telkens een voor verder
was "uitgegleden".

Het is de KEMA, in het bijzonder na de oorlog, voor de wind gegaan, hoewel toch ook even een onaangename periode moet worden gememoreerd, toen in 1978 bleek dat de KEMA radio-actief materiaal, afkomstig van het Natuurkundig Laboratorium en van Arnhemse ziekenhuizen, op haar terrein had begraven. Actiegroepen zorgden toen voor een hele opschudding, waarbij de KEMA in een ongunstig daglicht werd gezet. Het heeft destijds miljoenen gekost de zaak op te ruimen en in zee te dumpen.
Hoewel de KEMA belangrijk werk met betrekking tot de kernenergie heeft verricht - men denke aan de KEMA Suspensie Test Reactor (KSTR), het geesteskind van Prof. Went - staan de activiteiten op dit gebied tegenwoordig op een heel laag pitje. Veel aandacht wordt nu o.a. besteed aan milieu-onderzoek terwijl ook de alternatieve energie (zon en wind) niet wordt vergeten.

Wereldnaam
De KEMA heeft in de loop van de jaren een wereldnaam opgebouwd. Opdrachten komen uit alle delen van de wereld, in het bijzonder voor het kortsluitlaboratorium dat een unieke reputatie heeft op het gebied van onpartijdigheid en efficiency. De klanten daarvoor komen uit Europa, Amerika, Canada, Australië, India enz. (uit 20 verschillende landen). DZL IV heeft nu inmiddels 14 jaar gedraaid tot volle tevredenheid van opdrachtgevers en de KEMA zelf, en tot nut van een goede en betrouwbare electriciteitsvoorziening. Niet alleen vinden echter keuringen en beproevingen in de KEMA-laboratoria plaats. KEMAmedewerkers komen ook in fabrieken en worden ook gevraagd als deskundigen om advies uit te brengen.

Ter illustratie even een klein voorbeeld. In Aboe Dhabi vond op een "oil-plant" een zware kortsluiting plaats in een verdeelinstallatie met nogal ernstige materiële gevolgen. De KEMA werd gevraagd een deskundige te sturen in verband met schadeclaims. Een KEMAingenieur vloog erheen en volbracht de opdracht met succes; hij spoorde namelijk de oorzaak op. De KEMA heeft al jaren lang connecties met de Canadese en Amerikaanse zusterinstellingen voor wie ze niet alleen keuringen verricht maar ook fabrieksinspecties in nagenoeg heel Europa uitvoert. Ook is er samenwerking met de andere Europese zusterinstellingen.
Bij de gewone burger is de KEMA echter meer bekend door het KEMA-KEUR. Zo'n 20 000 produkten zijn gerechtigd tot het voeren van dit keurmerk.

Organisatie
Tot slot nog iets over de organisatie. De KEMA is met haar ca. 1100 medewerkers de belangrijkste van de zogenaamde Arnhemse Instellingen van de elektriciteitsbedrijven (personeelsbestand totaal ca. 1200), waartoe verder behoren de in het begin reeds genoemde VDEN, de GKN (Gemeenschappelijke Kernenergiecentrale Nederland) en de VEEN (Vereniging van Exploitanten van Elektriciteitsbedrijven in Nederland). Tot vorig jaar behoorde ook de SEP (Samenwerkende Elektriciteits-Produktiebedrijven) daartoe, maar die is nu een onafhankelijke N. V. De KEMA is een N.V. waarvan de aandeelhouders 33 eigenaren zijn van elektriciteitsbedrijven (gemeenten en provincies). De Commissarissen zijn 11 natuurlijke personen uit de kringen van de aandeelhouders.
De directie bestaat thans uit de heren Ir.J. Wijmans, Ir.R. van Erpers Royaards en Ir.W.K. Wiechers.
Prof. van Staveren, de grondlegger van de KEMA kan men wel zeggen, nam in 1964 ontslag als directeur. Maar ook daarna was hij nog dikwijls op de KEMA-terreinen te vinden; geen wonder, de KEMA was zijn levenswerk. Hij overleed op 23 januari 1979, op 89-jarige leeftijd. Zijn overlijden werd door velen, met name uit de elektriciteitswereld, betreurd en niet alleen in Nederland, want ook ver over onze grenzen was hij een man van groot aanzien geweest.